Nico Riemersma

kerkelijk theoloog in Den Haag

Proefschrift over Lucas 7,11-17

Proefschrift over Lucas 7,11-17

geplaatst op donderdag 16 mei 2013 in de categorie proefschrift

Probleem- en vraagstelling

In deze studie staat het wonder centraal, in concreto het wonder van de opwekking van een dode jonge man, de enige zoon van een weduwe, door Jezus in de Galilese stad Naïn (Lucas 7,11-17). Het is een lastig genre, het wonderverhaal, waar velen moeilijk mee uit de voeten kunnen. Dat geldt in bijzondere mate voor wonderverhalen over dodenopwekkingen. Het probleem zit - simpel gezegd - in het gegeven dat wonderverhalen vertellen van gebeurtenissen die eigenlijk menselijkerwijs onmogelijk zijn. Een wonderverhaal als Lucas 7,11-17 roept al snel deze twee reacties op. Zo zijn er mensen die zeggen: ‘Dat is onmogelijk, doden kunnen niet opstaan'. Anderen willen niet uitsluiten dat dergelijke dingen mogelijk zijn. In beide gevallen hoeft het Bijbelverhaal niet echt meer gelezen te worden. Naast eerste reacties roept een wonderverhaal ook de nodige vragen op. De meest prangende is: wat voor soort verhaal is een wonderverhaal? Globaal worden er op deze vraag de volgende antwoorden gegeven: het zijn (1) historische verhalen, (2) symbolische verhalen, (3) mythologische verhalen (4) sensationele verhalen of (5) fantastische verhalen. Elke typering is te verstaan als antwoord op de vraag naar de verhouding tussen tekst en werkelijkheid. Het is vooral die kwestie die intrigeert: in welke verhouding tot de werkelijkheid staat het wonderverhaal?

De centrale vraag van ons onderzoek is: hoe moet het wonder dat in Lucas 7,11-17 wordt verteld, geduid worden in het licht van bovenstaande reacties en vragen? Daarbij ligt alle nadruk op het wonder. In de klassieke exegese, maar ook daarbuiten, is de aandacht met betrekking tot het wonder lange tijd vooral gericht geweest op de historiciteitsvraag. Er was nauwelijks oog voor de wijze waarop het wonder in het verhaal wordt verteld. Het nieuwere wonderonderzoek, dat vooral in Duitsland plaatsvindt, kent een andere focus. De aandacht verschoof van de historiciteit naar de tekstualiteit of narrativiteit van het wonder. Deze aandacht is dikwijls nog erg algemeen; men heeft vooral oog voor het gegeven van het wonder als zodanig binnen het verhaal. Wat ontbreekt, is gerichte aandacht op het wonder als gebeurtenis binnen het wonderverhaal. Dat aspect staat in deze studie centraal. De vragen die in dat verband om beantwoording vragen, zijn: Hoe voltrekt de transformatie die plaatsvindt, zich eigenlijk? Wat zegt dat over deze wonderdoener? En wat gebeurt er daarna? Hoe wordt daarop door de aanwezigen en anderen die ervan horen, gereageerd?

We mogen ons in deze studie dan op Lucas 7,11-17 concentreren, daarbij kan het niet blijven. De aandacht zal ook dienen uit te gaan naar twee verhalen die vaak in één adem met Lucas 7,11-17 genoemd worden, namelijk 1 Koningen 17,17-24, het verhaal van de opwekking van de zoon van een weduwe door Elia in Sarefat bij Sidon, en Vita Apollonii IV,45, waarin het verhaal verteld wordt van een opwekking van een dochter van een Romeins consul door Apollonius van Tyana. De verteller laat in het midden of het om een ‘echte' dode gaat of dat het meisje schijndood was. In het onderzoek beperkt de aandacht zich enerzijds tot het noemen van overeenkomsten, anderzijds tot de vraag naar de literaire afhankelijkheid. Door verschillende onderzoekers wordt gezegd dat Lucas 7,11-17 van beide teksten afhankelijk is. Voor wat betreft de inhoud zou Lucas leunen op 1 Koningen 17,17-24, voor de vorm van zijn verhaal op Vita Apollonii. Wij willen dit onderzoek sterk verbreden door middel van een intertekstuele analyse; voorafgaande aan een vergelijking van deze teksten met Lucas 7,11-17, worden beide teksten aan een intratekstuele analyse onderworpen. Ook in dit intertekstuele onderzoek concentreren wij ons op het wonder om zo doende nog scherper zicht te krijgen op het eigene van het wonder in Lucas 7,11-17.

meer blog items in de categorie (proefschrift )